| Poeder- en schuimblussers |
|
Zowel inzet bij hoge als ook bij zeer lage temperaturen is mogelijk. Rekening moet echter worden gehouden met de nevenschade van bluspoeder op elektronische en fijn mechanische apparatuur. Op brandblussers vindt men op de brandblusser een aanduiding voor welke brandklasse de blusser is bedoeld. Dit kan noodzakelijk zijn om te weten welke blusser bij het uitbreken van een beginbrandje moet worden ingezet. De brandklasse staat op elke blusser via een pictogram aangegeven De volgende brandklassen kunnen we onderscheiden:
Bij brand is het niet alleen belangrijk dat u snel reageert, maar ook dat u beschikt over het juiste materiaal. Zo zijn goede blusmiddelen een absolute basisvereiste. Wettelijke regelgeving0. Inleiding.Blustoestellen zijn de toestellen die bestemd zijn voor het blussen van branden in de beginfase. Men beschikt over draagbare blustoestellen, vervaardigd conform de normenreeks EN3 en mobiele blustoestellen volgens de norm EN1866. Hun blusvermogen wordt bepaald door proeven op testbranden voor de klassen A en B volgens EN2. Het blusvermogen wordt in dit document gebruikt voor de bepaling van de verdeling van de blustoestellen in gebouwen. Het is belangrijk dat de brandbescherming van een gebouw als één geheel beschouwd wordt. Draagbare blustoestellen zijn belangrijk, maar zijn slechts één deel van een geheel van in te zetten middelen. Hun aanwezigheid maakt andere beschermingsmiddelen niet overbodig, zoals mobiele blustoestellen, stijgleidingen, haspels, sprinklers, blusdekens, en andere automatische en manuele blusssystemen. Draagbare blustoestellen zijn waardevol in de beginfase van een brand, wanneer hun draagbaarheid en directe beschikbaarheid een snelle aanval mogelijk maken. Men kan evenwel niet verwachten dat zij een grote brand aankunnen, vermits ze in essentie eerste hulpmiddelen zijn met een beperkte capaciteit. Deze norm gaat ervan uit dat eerst een brandrisicobepaling is gemaakt, waarbij de plaats, de klasse van de branden en de mogelijke gevolgen geïdentificeerd zijn. Er is geen tegenspraak tussen de bepalingen in deze norm en de bepalingen van de norm ISO11602-1:2000 Portable and wheeled extinguishers part 1: selection and installation. De bepalingen van de ISO-norm zijn aangevuld met bijkomende voorschriften overeenkomstig de in België geldende wetten, regels en gebruiken. 1. Toepassingsgebied.Deze norm betreft de keuze en plaatsing van draagbare en mobiele blustoestellen in gebouwen met een residentiële, industriële, commerciële of publieke bestemming. De voorschriften zijn gesteund op het blusvermogen van blustoestellen conform EN3 of EN1866, die gebruikt kunnen worden voor de bescherming van gebouwen, installaties en hun inhoud. Deze norm geeft geen voorschriften voor de bescherming van eengezinswoningen, voertuigen en mobiele woongelegenheden zoals caravans, en voor bouwwerken zoals tunnels, watertorens en andere onbewoonde constructies. 2. Normatieve verwijzingen.Deze norm bevat verwijzingen naar andere publicaties, die al dan niet gedateerd zijn. Deze normatieve verwijzingen zijn op de geëigende plaatsen in de tekst aangebracht en de publicaties zijn hierna opgesomd. Voor de gedateerde verwijzingen zijn de amendementen of latere herzieningen van de publicaties voor deze norm enkel van toepassing als ze ook opgenomen worden in deze norm door een amendement of herziening. Voor de niet gedateerde verwijzingen is de laatste uitgave van toepassing van de publicatie waarnaar verwezen wordt, inclusief de amendementen.
3. Begripsbepalingen
bevoegd bedrijf: zie NBN S21-050 4. Algemene bepalingen4.1. Doelstelling.Draagbare en mobiele blustoestellen zijn eerste interventiemiddelen bij brand. Zij worden voorzien met het oog op het beperken van de uitbreiding van brand door hem te bestrijden in de beginfase, en kunnen ook gebruikt worden voor de bestrijding van een brand bij de redding van personen. Draagbare en mobiele blustoestellen zijn ontworpen om gebruikt te worden voor een snelle tussenkomst bij een beginnende brand door de personen die de brand ontdekt hebben. De beschikbare hoeveelheid blusmiddel, het type en het blusvermogen van de blustoestellen en de tijdspanne waarin ze ingezet worden zijn bepalend voor het resultaat. Geen enkele bepaling in deze norm mag gezien worden als een beperking voor het toepassen van nieuwe technieken of alternatieve regelingen, voor zover die een gelijkwaardig niveau van veiligheid waarborgen met de instemming van de bevoegde overheid. 4.2. ProductnormenNieuwe draagbare blustoestellen dienen conform te zijn aan de toepasselijke EN3 normen, mobiele blustoestellen dienen aan de EN1866 norm te beantwoorden. De conformiteit aan de norm zal door een keurmerk gecertificeerd worden, (BENOR / ANPI). 4.3. GebruiksvoorwaardenMen dient zich te realiseren dat het resultaat van de inzet van draagbare en mobiele blustoestellen in belangrijke mate afhangt van de aanwezigheid van personen die het gebruik ervan kennen. Het is daarom noodzakelijk dat in bedrijven en instellingen het personeel geschoold is en blijft in het gebruik van blustoestellen. 5. Ontwerpvoorwaarden5.1. Keuze van het blusmiddel5.1.1. Brandklassen.De keuze van het type blustoestel wordt in de eerste plaats bepaald door de overheersende brandklasse in de zone die door het blustoestel wordt bediend. Waar meerdere brandklassen samen voorkomen, zal het type blustoestel zo gekozen worden zodat alle brandklassen behandeld worden. De verschillende brandklassen zijn bepaald in de norm EN2. Branden in elektrische installaties onder spanning worden in de EN2 norm niet geklasseerd. Tabel 1 beschrijft de verschillende brandklassen en de classificatie der blustoestellen volgens hun blusvermogen. Brandklasse Voorbeeld van brandbaar materiaal Blustoestel classificatie : A (vaste stoffen) zoals: hout, papier, textiel,thermohardende plastics, PVC, andere vrij brandende materialen. Aangeduid door een getal, gevolgd door de letter A. Het getal verwijst naar de standaard testbrand. B (vloeistoffen en smeltbare vaste stoffen) zoals: koolwaterstoffen (olie, benzine, stookolie); oplosmiddelen (alcoholen, aceton, terpentijn) vetten, smeerolie, verven; thermoplasten zoals PE, PP, enz. Aangeduid door een getal, gevolgd door de letter B. Het getal verwijst naar de standaard testbrand. C (gassen) propaan, butaan, aardgas, enz.): Aangeduid door de letter C zonder verwijzing naar een standaardtest. D (metalen) ijzervijlsel, aluminiumpoeder, magnesium, natrium, titaan, enz. Door de producent voor elke type metaal op basis van aangepastetesten. Elektrisch schakelkasten Aangeduid met (E) zonder verwijzing naar een standaardtest. F (vetten, frituurolie) klasse voorzien in prEN2 / A1 vetten en oliën voor frituren Aangeduid door een getal, gevolgd door de letter F. Het getal verwijst naar de standaard testbrand. 5.1.2. Types blusmiddelena) Water: is het meest gebruikte blusmiddel en is geschikt voor het blussen van klasse A branden. Toevoegmiddelen kunnen het blusvermogen van waterblussers verbeteren. Het meest gebruikte toevoegmiddel is een schuimmiddel. b) Water / Schuim: is geschikt voor het blussen van klasse A branden en kan ook gebruikt worden voor klasse B branden omdat het schuim zich over het oppervlak van de vloeistof verdeelt en de brand verstikt. Het schuimmiddel moet aangepast zijn aan het type brandbare vloeistof (polair of niet-polair) c) Bluspoeders: zijn meerdere types bluspoeders beschikbaar, waarvan er twee het meest gebruikt worden: het ene type is alleen geschikt voor het blussen van branden van de klassen B en C en wordt naar analogie C-bluspoeder genoemd; het andere type is geschikt voor het blussen van branden van de klassen A, B en C en wordt naar analogie ABC-bluspoeder genoemd. d) Koolstofdioxide (CO2): is geschikt voor het blussen van klasse B en C branden, maar heeft een kleiner blusvermogen dan bluspoeders. Koolstofdioxide voor toepassing als blusmiddel dient conform te zijn aan de norm EN 25923 e) Blusmiddelen voor metaalbranden: zijn in hoofdzaak speciale types bluspoeders. De geschikte blusmiddelen zijn voor elke toepassing afzonderlijk te bepalen in overleg met de leverancier. f) Natte chemicaliën: is een type blusmiddel dat beter geschikt is voor het blussen van klasse F branden dan water / schuim,koolstofdioxide en bluspoeder. De natte chemicaliën kunnen ook gebruikt worden voor klasse A en B branden, maar hebben hiervoor niet hetzelfde blusvermogen als de andere blusmiddelen. g) Blusgassen (halon-alternatieven): Het Protocol van Montreal en de Europese verordening 2037/2000/EG bepalen dat de halon-blusgassen uit gebruik genomen moeten worden en dat alle blustoestellen met deze blusgassen door een gepast alternatief dienen vervangen te worden. Deze opsomming sluit niet uit dat andere stoffen door de ontwikkeling van de techniek als blusmiddel mogelijk toegepast kunnen worden. 5.1.3. Types draagbare blustoestellen. Er zijn meerdere methodes om het blusmiddel in blustoestellen onder druk te zetten om het uit het toestel te drijven.
5.1.4. Bijkomende parameters bij de keuze van het type blustoestel.5.1.4.1. Gewicht van het blustoestel.Het gewicht van een draagbaar blustoestel is beperkt tot 20 kg (zie EN-3) 5.1.4.2. Elektrische installaties onder spanning.Alle blustoestellen die zich nabij elektrische installaties onder spanning bevinden, dienen ook geschikt te zijn voor een brand in die installatie. De blustoestellen die hiervoor in aanmerking komen staan vermeld in tabel 2. Onder bepaalde omstandigheden kunnen blustoestellen met verstoven water of water met schuimmiddel ook hiervoor geschikt zijn, wanneer zij aan de di-elektrische test van EN3 voldoen. In dit geval, is het toepassingsbereik op het toestel aangeduid. 5.1.4.3. Effectieve draagwijdteDe nodige draagwijdte van de blustoestellen dient vastgesteld bij de brandrisicobepaling. De horizontale draagwijdte van een draagbaar blustoestel is:
De horizontale draagwijdte van een mobiel blustoestel is:
5.1.4.4. ZichtbaarheidDe ontlading van een poederblusser in een gesloten ruimte zal een plotse vermindering van de zichtbaarheid met zich meebrengen, wat tijdelijk de evacuatie, redding of andere hulpactie kan belemmeren. Daarom dient men de voorkeur te geven aan water of water / schuimblussers in plaatsen zoals hospitalen, tehuizen, hotels en dgl. 5.1.4.5. WeersgevoeligheidDe werking van de blustoestellen wordt beïnvloed door de omgevingstemperatuur. De EN3- norm voorziet een temperatuursbereik waarin het blustoestel voldoende betrouwbaar kan werken. Blustoestellen zullen niet opgesteld worden op plaatsen waar ze blootgesteld zijn aan temperaturen buiten het aangeduide werkingsbereik. 5.1.4.6. GezondheidsrisicoBlusmiddelen zijn niet levensbedreigend wanneer ze gebruikt worden zoals voorgeschreven. De ontlading van CO2 of een ander gasvormig blusmiddel zal rekening houdend met de veilige gebruiksafstand, de omgevingslucht niet vergiftigen, zelfs binnen een kamer. Het is evenwel aangeraden om de ruimte zo spoedig mogelijk te verlaten en nadien te verluchten om het normale zuurstofgehalte te herstellen. Bij de keuze van poederblussers dient men het effect in rekening te brengen van het inademen van het fijn stof, bijvoorbeeld door zieken met aandoeningen aan de luchtwegen of door baby's of peuters. 5.1.4.7. Nevenschade.De blusmiddelen kunnen eventueel bijkomende schade aanbrengen aan voorwerpen die niet direct bij de brand betrokken zijn. De keuze van de blustoestellen moet in de eerste plaats gebaseerd zijn op doeltreffendheid en veiligheid, maar de nevenschade dient ook bekeken. Het gebruik van droge bluspoeders in de omgeving van corrosiegevoelige toestellen, elektronisch materieel of voedsel wordt afgeraden. Het gebruik van waterblussers in de omgeving van vochtgevoelige of onherstelbare voorwerpen wordt afgeraden. Hoewel zij meestal een lager blusvermogen hebben, worden gasvormige blusmiddelen zoals CO2 aangeraden in dergelijke omstandigheden omdat zij nagenoeg geen nevenschade veroorzaken. 5.1.4.8. Herladen van blustoestellen.Bij de keuze van de blustoestellen dient men rekening te houden met de gebruiksfrequentie. In gevallen waar men een regelmatig gebruik van de toestellen kan verwachten, hetzij door de aard van het brandgevaar, hetzij door de noodzaak van regelmatige blusoefeningen, zal men de voorkeur geven aan toestellen die gemakkelijk herlaadbaar zijn. 5.1.4.9. StofontploffingsgevaarVoor het bestrijden van branden in zones met stofexplosiegevaar ( Zone 11 volgens de ATEX-Richtlijn) dient men ervoor te zorgen dat het opgestapelde stof niet opgewaaid wordt door de blusmiddelstraal. Hiervoor zal men natte blusmiddelen, schuim of blustoestellen met aangepaste sproeikoppen gebruiken. 5.1.4.10 .ReactiviteitMen dient rekening te houden met mogelijke scheikundige reacties tussen het blusmiddel en het beveiligde risico, bij de keuze van het blustoestel. 5.2. Bepaling van het aantal blustoestellen.De bescherming met blustoestellen van een gebouw of installatie bestaat uit een algemene zonebescherming en een bijkomende bescherming voor specifieke activiteiten en objecten. De werkwijze voor het bepalen van het aantal blustoestellen is beschreven in bijlage C. De bepaling van het aantal blustoestellen geschiedt op een zone-per-zone basis. Het aantal blustoestellen bestemd voor de algemene bescherming is niet gekoppeld aan de eventuele aanwezigheid van de andere brandbestrijdingsinstallaties zoals haspels, blussystemen, voorzieningen voor de brandweer, sprinklers, enz. Nadat men het aantal blustoestellen heeft bepaald die nodig zijn voor de zonebescherming, zal men zone per zone de aanwezigheid nagaan van die activiteiten en objecten met verhoogd brandrisico, die bijkomende blustoestellen op specifieke plaatsen vereisen. 5.2.1. Algemene zonebescherming.Het aantal blustoestellen hangt af van de vloeroppervlakte (m²) van de zone, van de aard van het brandgevaar, van het blusvermogen van de toestellen en van de maximum loopafstand tot het meest nabije blustoestel. 5.2.1.1. Zone-indeling.Het gebouw wordt, verdieping per verdieping, ingedeeld in basiszones. Een basiszone is bepaald als een verdieping of een deel ervan (een zone) waar:
De vloeroppervlakte van een zone is de bruto horizontale oppervlakte, gemeten binnen de omtrek van de buitenmuren. De oppervlakte van de binnenmuren mag niet afgetrokken worden. Een basiszone van minder dan 30 m² zal beschouwd worden als een specifieke activiteit en als dusdanig behandeld worden ( zie par. 5.2.2). Zones, of delen ervan, met dezelfde activiteit en overheersende brandklasse dienen toch afzonderlijk beschouwd te worden als ze aanpalend zijn, maar met de aanwezigheid van hinderpalen die een deel van de blustoestellen ontoegankelijk kunnen maken. Zones met dezelfde activiteit die onderling gescheiden zijn door een brandwerende scheiding (brandwerende muur of wand), dienen in elk geval als verschillende zones (niet aanpalend) beschouwd te worden. Gesloten deuren of deuren die sluiten bij brand kunnen een zone in niet-aanpalende zones omvormen. 5.2.1.2. Aard van het brandgevaar.Voor elke zone stelt men de overheersende brandklasse vast. De volgende mogelijkheden bestaan:
De brandklassen C en F gelden enkel voor objectbescherming. Wanneer in een zone enkel de brandklasse A, B of D overheersend is, dienen de blustoestellen enkel aan de criteria voor de overheersende brandklasse te voldoen. Wanneer in een zone de brandklassen A en B beiden significant aanwezig zijn, dienen de blustoestellen aan de criteria voor beide brandklassen te voldoen. De aard van het brandrisico wordt ook bepaald door de activiteiten (zie bijlage B) Men onderscheidt:
Het totaal vereiste blusvermogen van de beschikbare blustoestellen wordt bepaald in functie van de brandklasse en van het type van activiteit. 5.2.2. Bepaling van het aantal blustoestellen met de methode van de basiseenheden.Voor elke basiszone wordt het aantal vereiste bluseenheden bepaald door het quotiënt van de oppervlakte van de zone gedeeld door de beschermingseenheid, afgerond naar het bovenste halve bluseenheid. De beschermingseenheid voor een zone met overheersende brandklasse A is :
Wanneer er in een zone met overheersende brandklasse A geen andere middelen aanwezig zijn voor de bestrijding van brand zoals haspels, binnenhydranten of sprinklers, dient men het berekende aantal bluseenheden te verdubbelen.
In elke zone zijn voldoende blustoestellen aangebracht om het vereiste aantal bluseenheden te bekomen. Tenminste de helft van de blustoestellen zijn toestellen met een capaciteit van 1 of 1,5 bluseenheid. Voor de bijzondere gevallen van alleenstaande gebouwen (bvb. een wachthuis) of van tussenvloeren (platformen, mezzanines, etc.) met een vloeroppervlakte tot 200 m² is 1 bluseenheid vereist per 100 m² of fractie ervan.
De keuze van het type en het aantal blustoestellen voor een zone met overheersende klasse D wordt bepaald in overleg met de leverancier van de blustoestellen in functie van het te blussen metaal en het blusvermogen van de toestellen. Deze keuze wordt aan de bevoegde instantie voorgelegd. Het gebruik van CO2 blussers wordt afgeraden voor de algemene bescherming van een gebouw, maar is eerder aangeraden voor objectbescherming. Het is toegelaten om rekening te houden met de aanwezigheid van oudere blustoestellen die niet aan de EN3 normen beantwoorden voor zover men de garantie heeft dat zij op een correcte manier kunnen gebruikt worden in geval van brand. (zie bijlage D). 5.2.3. LoopafstandDe blustoestellen moeten zo geplaatst worden dat de afstand tot het meest nabije toestel in een zone met overheersende brandklasse A niet groter is dan:
De blustoestellen moeten zo geplaatst worden dat de afstand tot het meest nabije toestel in een zone met overheersende brandklasse B niet groter is dan:
De blustoestellen mogen gegroepeerd opgesteld worden voor zover de maximale loopafstanden nageleefd worden. 5.2.4. Bijkomende bescherming.In een gebouw vragen bepaalde objecten met specifiek brandrisico bijzondere aandacht. Voorbeelden hiervan zijn technische installaties, lasinstallaties en andere werkplaatsen met open vlam, zones met brandbare vloeistoffen of gassen, labo's, stapelzones, koelhuizen en vriesinstallaties. 5.2.4.1. ObjectbeschermingObjecten zoals verwarmingsinstallaties, computersystemen, elektrische energievoorzieningen, transformatoren en condensatoren, compressoren, elektrogeneratoren hebben en specifiek brandrisico en vergen tenminste één bijkomend blustoestel in de omgeving, behalve als:
Bijkomende blustoestellen voor objectbescherming dienen een geschikt blusmiddel te bevatten, en mogen een ander blusvermogen hebben dan de blustoestellen voor de zonebescherming. Bijkomende blustoestellen dienen op maximum 5 m van het doelobject opgesteld te zijn, op een plaats waar het risico zelf hun gebruik niet kan verhinderen. Voor elektrische installaties onder spanning dient een blustoestel gekozen, dat geschikt is voor deze toepassing met een blusmiddel dat geschikt voor de brandklasse van dezelfde installatie wanneer de spanning is weggenomen. Voor de meeste schakelinstallaties is dit brandklasse A, voor een oliehoudend toestel zal dit brandklasse B zijn. 5.3. Plaatsing van de blustoestellen.
5.4. Instandhouding en periodieke onderhoud
We hebben verschillende formaten in ons gamma , in onze webshop vindt u alle modellen met bijhorende prijzen. |
Poederblussers kunnen universeel ingezet worden voor het blussen van vaste-stofbranden, vloeistof- en gasbranden (brandklassen A, B en C, EN NU OOK OP E).